Een groot probleem voor mensen met een niet-Nederlandse afkomst is het lidwoord. Het is volkomen onlogisch dat er twee zijn, die vast verbonden zijn aan een zelfstandig naamwoord.

Het is altijd weer de vraag: waarom heeft dit woord het, waarom niet de? De lidwoorden, die voor een Nederlander vanzelfsprekend zijn, vormen een groot probleem.

In dit artikel gaan we in het kort proberen een handvat te geven bij de keuze. Ons uitgangspunt is dat het lidwoord het stukken minder gebruikt wordt dan het lidwoord de. Dus in geval van twijfel, kies dan de. Dat scheelt wel al, maar het is natuurlijk veel prettiger als je het zeker weet.

De of het?

Regel nummer 1 : alle woorden met een verkleinwoord zijn het-woorden.

Verkleinwoorden eindigen altijd op –je. Dus: het meisje, het bloempje, het appeltje,

Regel nummer 2: woorden die eindigen isme zijn het-woorden.

Het nationalisme, het maoisme, het kubisme, het toerisme, het mechanisme, het magnetisme

Regel nummer 3: woorden eindigend op –um zijn het-woorden.

Het lustrum, het antibioticum, het omniversum, het aquarium

Regel nummer 4: is het woord een samengesteld woord, let dan op het lidwoord dat bij het laatste stukje hoort.

Wat het begin van het woord ook is, alle woorden die op laatste stukje eindigen hebben hetzelfde lidwoord.

Voorbeeld: het huis, dus ook het huurhuis, koophuis, spookhuis, buurthuis, bejaardenhuis

Voorbeeld: het boek, dus ook het studieboek, bibliotheekboek, plaatjesboek, pocketboek

Regel nummer 5: woorden eindigend op -ment zijn het-woorden.

Het amusement, het temperament, het management, het abonnement, het monument, het instrument

Dit zijn de belangrijkste regels. Er zijn er natuurlijk meer, maar dan zijn er weer uitzonderingen op.

Bijvoorbeeld:

Materialen zijn bijna altijd ‘het’, zoals het goud, het zilver, het rubber, het plastic, het hout, het glazuur, het aardewerk. Maar helaas: de wol, de zijde.

Veel woorden die eindigen op –schap zijn het-woorden: het gezelschap, het ouderschap, het vakmanschap, het landschap, het hoogheemraadschap, het gereedschap.

Maar: de verwantschap, de wetenschap, de vriendschap, de eigenschap, de gemeenschap.

Veel woorden eindigend op –sel zijn het-woorden: het kapsel, het beginsel, het verzinsel, het weefsel, het afgietsel.

Maar: de frutsel, de oksel, de mossel.

Veel woorden die eindigen op –act,- ict, -ect en -uct zijn het-woorden, maar helaas niet allemaal:

Het product, het viaduct, het insect, het project, het pact, het extract, het delict, het conflict.

Maar helaas ook: de architect, de dyslect.

Niet logisch, het lidwoord. Onze tip: lees heel veel boeken en luister goed naar tv en radio! Het enige voordeel is dat er in het Nederlands geen naamvallen zijn, zoals wel in het Duits het geval is…

Lees deel 2 van dit artikel hier