(Deze blog post is het vervolg op Nederlandse grammatica: Wanneer gebruik je ‘de’ of ‘het’? )

Er zijn natuurlijk meer regels dan die ik in het vorige artikel noemde. Je moet ze alleen maar kennen. Het vervelende is dat er bijna meer uitzonderingen op de regels zijn dan regels zelf.  Laten we het daarom simpel proberen te houden.

De en het

Bij deze woorden mag je zowel de als het gebruiken, er is geen verschil in betekenis:

  • Aanrecht
  • Afval
  • Deksel
  • Figuur
  • Hars
  • Omslag
  • Roest
  • Sap
  • Schort
  • Silhouet
  • Soort
  • Subsidie
  • Vuilnis

De

Deze woorden krijgen in principe altijd ‘de’:

  • Namen van rivieren: de Waal, de IJssel,  de Rijn, de Wolga
  • Namen van bergen: de Sint Pietersberg, de Kaukasus, de Mont Blanc, de Himalaya
  • Namen van vruchten: de peer, de perzik, de banaan, de sinaasappel
  • Namen van groentes: de bloemkool, de spercieboon, de komkommer
  • Namen van bomen: de eik, de den, de beuk, de berk
  • Namen van planten: de narcis, de hyacinth, de tulp, de roos
  • Namen van letters en cijfers:  de p,  de 2, de A10, de N230
  • Namen van mannen en vrouwen: de dokter, de architect, de leraar; de verpleegster, de dochter. Uitzonderingen: het mens, het wijf, meisje
  • Veel woorden die eindigen op –ij:  slavernij, maatschappij, lekkernij, afzetterij, brouwerij. Uitzonderingen: gevlij, gerij, schilderij

Het

In de vorige post vertelden we al dat alle verkleinwoorden het-woorden zijn:

het meisje, het kopje, het ijsje, het dropje, het plaatje, het potje. Let alleen op: er zijn nog andere uitgangen bij verkleinwoorden dan alleen ‘je ‘.  Een voorbeeld hiervan:

het tafeltje, het jongetje, het laatje, het schoentje, het duwtje, het bonnetje, het sterretje, het poppetje, het raampje, het geheimpje, het armpje, het kettinkje, het wandelingetje, het radertje

Soms verandert het hele basiswoord als er een verkleinwoord van wordt gemaakt, er komt dan vaak een klinker bij. Dit zijn een paar voorbeelden:

Het blad – het blaadje; de staf – het staafje;  het lot – het lootje; het schip – het scheepje; het pad – het paadje

Deze woorden krijgen in principe altijd ‘het’:

  • Namen van talen: het Chinees, het Turks, het Spaans, het Fries
  • Namen van metalen: het ijzer, het zilver, het koper, het aluminium, het goud
  • Namen van spelen: het schaakspel, het damspel, het scrabblespel
  • Namen van sporten: het ijshockey, het badminton, het handbal, het minigolf
  • Sommige werkwoorden, als ze zelfstandig gebruikt worden: het voederen van de dieren, het eten, het deelnemen, het raadplegen, het drinken, het wonen in de stad
  • Namen van de windrichtingen: het Noorden, het Oosten, het Zuiden, het Westen
  • Substantieven met twee lettergrepen die beginnen met:
  • Ont-: het ontslag, het ontbijt. Uitzondering: de ontvangst.
  • Ge-: het gedrag, het gerecht, het geloof, het gebrek
  • Be-: het bevel, het bedrag, het bezoek, het bewind
  • Ver-: het verraad, het verbod, het verlies; het verbruik. Uitzondering: de verkoop