Nederlandse grammatica is best lastig, maar er zijn regels die houvast bieden. Hieronder gaan we in op de belangrijkste regels voor het gebruik van ze, hen, hun en het – en kan je jezelf testen door de oefening te maken.

Wanneer gebruik je ze/zij?

1 – Als het het onderwerp van de zin vervangt

Het antwoord op de vraag: wie/wat doet het?

De buren doen boodschappen = ze/zij doen boodschappen

De sleutels liggen op tafel = ze/zij liggen op tafel

2- als het een lijdend voorwerp in het meervoud vervangt, met andere woorden, het antwoord op de vraag.

Wat:  Ik koop bloemen – wat koop ik?  Bloemen – ik koop ze.

Wie:  Ik zie de nieuwe buren – wie zie ik? De nieuwe buren – ik zie ze.

Bij personen mag je in dit geval in plaats van ‘ze’ ook ‘hen’ gebruiken: ik zie hen.

3 – als het een meewerkend voorwerp in het meervoud vervangt, met andere woorden, het antwoord op de vraag:

Waaraan:  Ik geef de planten water – waaraan geef ik water?  De planten – ik geef ze water.
Aan wie: Ik geef de studenten een boek – aan wie geef ik een boek? De studenten – ik geef ze een boek.

Wanneer gebruik je hun?

1 – Als je het hebt over een bezit van mensen, dieren of dingen.

Dit zijn hun nieuwe buren

Die katten daar zijn hun katten.

Ze hebben scherpe nagels aan hun poten.

2 – Als je een meewerkend voorwerp in het meervoud vervangt.

Het antwoord op de vraag: aan wie.

Ik geef mijn buren een mooie plant – aan wie? Mijn buren = ik geef hun een mooie plant

Ze vertellen de kinderen spannende verhalen – aan wie? De kinderen – ze vertellen hun spannende verhalen.

Wanneer gebruik je hen?

1 – Ter vervanging van het lijdend voorwerp als het gaat over personen.

Het antwoord op de vraag: wie

Ik zie de nieuwe buren – wie zie ik? De nieuwe buren = hen; ik zie hen.

Hij roept zijn kinderen – wie roept hij? Zijn kinderen – hij roept hen.

2 – Na een voorzetsel: aan, voor, van etc.

Geef het horloge maar aan hen (ook:ze)

Dit examen is te moeilijk voor hen (ook:ze)

Die katten van hen (ook:ze) zijn wel erg groot.

Wat moet je doen als je het niet zeker weet?

Weet je niet zeker of het hun of hen is? Gebruik dan ‘ze’.  Over het algemeen ben je goed af met ‘ze ‘, behalve als bezitsaanduiding.

Test je kennis van de Nederlandse grammatica

Haal de fouten uit de volgende zinnen:

  1. Ik zag de nieuwe buren. Heb jij hun ook gezien?
  2. Hun zijn de beste vrienden die ik heb.
  3. Ze vragen me altijd hoe hun erwtensoep kunnen maken.
  4. Ik heb het hen al 10 x verteld, maar hum soep is nooit lekker.
  5. Geef maar een kookboek aan hun.
  6. Ik geloof dat hun liever wat anders eten.
  7. Denk je dat echt? Ik zal het hen eens vragen.
  8. Ja, vraag het maar eens aan hun.

Antwoorden

Lastig om te lezen? Kopieer de tekst naar Notepad of een andere tekst editor.

  1. Ik zag ze (of: hen)
  2. Ze/zij zijn de beste vrienden die ik heb.
  3. Ze vragen me altijd hoe ze/zij erwtensoep kunnen maken.
  4. Ik heb het hun al 10x verteld, maar hun soep is nooit lekker.
  5. Geef maar een kookboek aan ze (of: hen).
  6. Ik geloof dat ze/zij liever wat anders eten.
  7. Denk je dat echt? Ik zal het ze (of: hun) eens vragen.
  8. Ja, vraag het maar eens aan ze (of: hen)
 

Tags: , ,